Dagboek 33: Nukus en het verdwenen Aralmeer, Oezbekistan

Samarkand, Oezbekistan, 24 maart 2006


De poort van Turkmenistan gaat dicht, we rijden naar een dikke buis die als slagboom dient voor Oezbekistan. Drie jongens in wit met bruine en lichtgroene vlekjes camouflagepakken komen op ons af. De baas van het clupje heeft een uitdagende smile van oor tot oor. 'Welcome to Uzbekistan!', roept hij. De andere 2 komen er ook bij. Er gebeurt weer eens wat, lijken ze te denken. Misha, een collega wordt opgetrommeld want die spreekt 3 woorden engels.

We moeten naar een kantoortje, naar de douane-officieren. Ze hebben zelfs declaratieformulieren in het Engels en helpen invullen. Eentje is nieuwsgierig en vraagt van alles. Wat betekent het 'van' in onze achternamen? Waarom heb ik vier voornamen? (ja waarom, pa?) Hij laat zien dat de foto in een Nederlands paspoort ook als watermerk in het plastic zit en lacht als hij ziet dat wij dat niet weten. De auto wordt gewoon op het declaratieformulier vermeld en klaar. Dat is alles. Niemand kijkt verder om naar geld of waardevolle zaken. We moeten naar buiten want de bus moet gecheckt. Deuren open. 'Please, step back'. We moeten 5 meter achteruit en een Cocker Spaniël wordt de bus in gejaagd. 'Dawai, dawai!', roept zijn begeleider en het beestje ragt door de hele auto. 'Narcotics', legt een douanier met serieus gezicht uit. 'Afghanistan'. Gelukkig vindt het beestje niks en de militairen maken met een royaal gebaar duidelijk dat we mogen gaan. Ze wensen ons een goeie reis. Binnen 3 kwartier was alles geregeld. Niks hoeven betalen, geen verhoor, geen gezeik. We vinden het bijna verdacht dat het zo gemakkelijk gaat...

'Onze' straat in NukusBadkamer in appartement

De armoede, die we aan de andere kant van de grens in Turkmenistan zagen, gaat hier door. De stad Nukus (Noekoes) ligt 30 km verderop. Als we de stad in rijden, zijn we terug in de Sovjet Unie. Megabrede wegen, rijen troosteloze flats. Het grijze weer maakt de sfeer compleet. We zoeken het Savitsky Museum en vragen naar Marinika Bobonazarova (tip van de LP). We hopen dat zij ons een beetje op weg kan helpen in Oezbekistan. Een goed contact, zo hebben we geleerd in Tabriz, maakt een wereld van verschil. Het blijkt de directrice en we worden ontvangen in haar statige kantoor. Het is een dame van tegen de 60 met uitstraling. Ze is Russische en begint meteen te regelen. De banken zijn al dicht. Bij een collega wisselen we wat dollars voor Oezbeekse Sum. 'Hotels hier zijn slecht', zegt ze, 'maar ik weet een thuisadres waar je kunt slapen'. Ze belt Ludmila die over een kwartier bij het museum zal zijn. 'What more?', vraagt ze. Hoe het zit met de verplichte registratie, weet zij ook niet. In nog veel landen van de voormalige Sovjet Unie moet je je binnen 72 uur laten registreren. Als je naar een hotel gaat doet het hotel dit. We weten echter niet of 1x registeren genoeg is, of dat alle overnachtingen vastgelegd moeten worden.

Buizen van de stadsverwarmingInstrukties voor de 'exkoerzion' naar MoynakVis op het droge in de ijskast


Ludmila arriveert bij het museum. Het is een kleine, van oorsprong Koreaans vrouw met een grote bril. Ze klimt in de bus en wijst de weg. Ze spreekt geen woord Engels en roept aanwijzingen in het Russisch. 'Naliejeva?' 'Njet, njet, priejamo, priejamo' (Links? Nee, nee rechtdoor, rechtdoor). We belanden voor een Oostblok flat. Ons logeeradres is de flat beneden haar appartement. Ze laat alles zien, praat maar door in het Russisch, stopt af en toe opeens en kijkt ons dan veelbetekenend aan. 'Da, da' (ja, ja), antwoorden we dan snel en ze praat weer verder. Het appartement is oud maar groot en verzorgd. In de ijskast ligt een grote vis. Als ik onze flessen water erin wil zetten, maakt ze me duidelijk dat ik dat niet moet doen. Uiteindelijk snap ik wat ze bedoelt, omdat ik het ooit ergens gelezen heb. Van koud water drinken word je verkouden, zo denken Centraal Aziaten. Dus geen water in de ijskast. En de jas moet op de kapstok, zo maakt ze duidelijk. We hebben de neiging om altijd alles maar overal neer te kwakken maar ik hang mijn jas iedere keer netjes op. Ludmila vraagt nog hoe laat we willen douchen, zegt dat we dat beter na het eten kunnen doen want met natte haren naar buiten gaan is ook niet gezond. Het schijnt haar niet te deren dat we nauwelijks iets terug kunnen zeggen. Als ze er niet uitkomt hoe laat we willen ontbijten, pakt ze de telefoon en belt de directrice op. Deze vertaalt en na het gesprek kijkt Ludmila ons aan. 'Voisim triedzits?' (8.30?) We krijgen de sleutel en ze verdwijnt naar boven.

Onder grote buizen van de voormalige stadsverwarming door lopen we naar de overkant van de weg. We eten shaslick in café Grand. Er is een gek fenomeen. Bankjes worden afgescheiden door een gordijntje zodat anderen je niet kunnen zien (maar wel erg goed kunnen horen). Wij zoeken net wat gezelligheid en snappen niks van dit verstoppen.
Met handen en voeten en 2 woorden Russisch bestellen we. Het is weer even wennen zonder gids. Als we terugkomen in onze flat heeft Ludmila het vuur onder de antieke boiler opgestookt. We nemen een heerlijke douche en kruipen in bed onder een bloemetjessprei.

's Ochtends komt Ludmila het ontbijt klaar maken in onze flat. Normaal zijn we nogal op onze privacy gesteld maar met Ludmila hebben we geen moeite als ze in en uit loopt. We krijgen kleffe stukjes aardappel in de vorm van friet, spiegelei en een worstje. Jammie! Daarna lopen we naar het kantoor van OVIR. De OVIR is een overheidsinstantie die gaat over de registratie. In het gebouw huist de Militsia en ernaast is een gevangenis. Het zou om 10 uur open moeten zijn maar er is niemand. Buiten maakt een politieman ons duidelijk dat we over een half uur kunnen terug komen. Dan maar eerst naar de bank om geld te wisselen. Als we het OVIR kantoor weer binnenkomen zijn er wel mensen. We worden aangestaard door arme Oezbeken, er hangt een sfeer van wanhoop en passiviteit. Er is een gang met houten deuren die dicht zijn. In die hokken zitten de politiemannen die iets kunnen doen. Hier wordt een mens niet vrolijk van. 'Registratzie?' We komen bij een klein mannetje die twee woordjes Engels brabbelt. We moeten in een hotel slapen en hij wil een adres van 'our friend'. Het is allemaal niet te volgen maar registratie kost 20 dollar p/p. We krijgen een formulier in het Russisch dat iemand moet invullen (wij?). Het mannetje heeft sowieso niet veel zin, het is tegen lunchtijd en er hangen nog 12 mensen voor zijn deur. '20 dollar pp??' Boos lopen we weg, wat is dit allemaal voor onzin, zij willen toch dat we ons registreren, waarom kan hij ons niet uitleggen hoe het zit en waarom kost het zoveel geld? 'Come back after 3 pm with your friend'.

Schip op het droge bij MoynakPlaatsbord met vis in het logo


Omdat we (lees Pee) een tripje naar het Aralmeer willen maken (440 km retour) hebben we diesel nodig. Dat heet in Oezbekistan soljarka en is niet zomaar overal te koop. Onze directrice helpt weer. Een van haar chauffeurs zal met ons meegaan. Tankstations met diesel zijn schaars en als ze het hebben, is het meer voor tractors dan voor Toyota-busjes. Al die brikken hier rijden op benzine.

Het is allemaal erg vaag, we komen terecht op een terrein tussen verlaten fabrieken. Meer een plek voor een drugsdeal dan voor diesel. We moeten 20.000 sum (iets van 17 dollar) vooruit betalen bij een klein raampje van 10 bij 30 cm. Daarvoor krijgen we 50 liter. Ons geld verdwijnt en de chauffeur roept iets naar het hok. Na een tijdje slaat de pomp aan. Je kunt zelf niks aan of uit zetten. We vullen de 2 jerrycans en kunnen nog een beetje in de tank gooien. Op de heen en terugweg worden we natuurlijk aan de kant gezet bij de Militsia-roadblocks. Met hun oranje stokje wijzen ze naar je en dan wijzen ze naar de zijkant. Gelukkig hebben we de Oezbeekse chauffeur bij ons. We kijken hoe hij het doet. Motor uit, uitstappen, naar de agent lopen (niet wachten totdat hij naar jou komt) en hem begroeten alsof het je langverdwenen broer is. Het is duidelijk wie de baas is. Iedereen stopt bij een Stop-bord en remt voor het stoplicht op oranje.

Met Ludmila hebben we afgesproken bij het OVIR kantoor om 3 uur. Haar man is er en we gaan er voor de derde keer naar binnen want we zijn nog steeds niet geregistreerd. Het politiemannetje is er weer en krijgt het weer niet uitgelegd. Het formulier dat we gekregen hebben, moeten wij invullen en niet 'our friend' zoals we dachten. Uiteindelijk is Ludmila's man voor niets gekomen, betalen wij 40 dollar en is het allemaal niet echt nodig. Het blijkt dat je gewoon naar een hotel kunt stappen. Je lacht lief naar de meid achter de balie en vraagt of zij je even registreert. Je krijgt vervolgens een minuscuul papiertje met daarop de datums waarop je in het hotel verblijft en een stempel. Bij iedere overnachtingsplek moet je dit doen en zo kun je, als je Oezbekistan verlaat, aantonen waar je iedere nacht verbleven hebt. Er vraagt (waarschijnlijk) nooit iemand naar.

Ik heb de ijskast niet goed dicht gedaan en wordt door Ludmila weer even opgevoed. Opletten volgende keer. Net zoals schoenen uit als je binnenkomt en alle lichten uit als je weggaat (want anders krijg je op je donder...)
De volgende ochtend maakt Ludmila ons wakker. 'Pietr, voisim-triezits, koesjet' Het ontbijt is klaar en we moeten komen eten. We krijgen warme, hartige pannenkoekjes, gevuld met gehakt. Heerlijk. We gaan naar Moynak, een plaatsje dat vroeger aan het Aralmeer lag. Ludmila's man heeft de avond van te voren de route getekend (ooit 220 km op een A4-tje uitgelegd?). Van Ludmila krijgen we na het ontbijt nog het advies om eten en water mee te nemen. 'Moynak, eta nie charasho' (geen goeie plek) en ze schudt haar hoofd.

The Aral Sea 1956, een schilderij van M. Kurzin in het Savitsky Museum in NukusUitzicht anno 2006


Het Aralmeer
Moynaq was vroeger een levendig visserstadje aan het Aral-meer. Nu is het een winderig en stoffig stadje, waar de mensen ziek zijn en het klimaat is verpest. Visserschepen liggen in het zand. Het Aralmeer is verdwenen.

In Sovjet tijd werd besloten dat in Centraal Azië de plek was om katoen te verbouwen. Het klimaat is warm maar er is weinig water. De grootste rivier is de Amu Darya (vroeger Oxus geheten). Deze ontspringt in het Pamir gebergte en eindigde in het Aralmeer. Om aan genoeg water te komen voor irrigatie van de katoenvelden werd water gebruikt van de Amu Darya. Er werd zelfs een kanaal gegraven dat het zuidwesten van Turkmenistan van water kon voorzien. Vooral dit Garagumkanaal ontrok zoveel water van de Amu Darya dat nog maar een kwart van het water het Aralmeer bereikte. En het meer droogde op. Het meest trieste is dat de Sovjets dit wel voorzien hadden. Wat ze waarschijnlijk niet hadden voorzien, zijn de catastrofale gevolgen die dit opdrogen had. Het klimaat in de streek is veranderd, winters zijn kouder, zomers droger. De grond is verzilt. Er is niets dat het zand van de zeebodem vasthoudt en de wind zorgt voor constant stof over de kale, platte steppe. Pesticiden, die veelvuldig gebruikt zijn voor de katoenbouw, hebben zich overal verspreid in het gebied. De dieren hebben afwijkingen, de mensen zijn ziek. En ze zijn arm, hun inkomen, de visserij is verdwenen. De regering doet niets, het is een verre uithoek in autonoom Karkalapakistan, een regio die niemand veel interesseert.


Het is een tering eind rijden om die bootjes in het zand te zien. Na het stadje Qongirat is er bijna geen verkeer meer. Het landschap is leeg en plat. De steppe van Centraal Azië, waarschijnlijk gaat dit nog honderden kilometers zo door. We komen een Ford Transit van Geraerds Schilderbedrijf tegen. Hè? Die zijn ver van huis aan het bijklussen... Uiteindelijk bereiken we Moynak. Het plaatsje is levendiger dan verwacht maar super-stoffig. En vooral triest. De schepen in de woestijn zijn nog niet zo makkelijk te vinden. Iemand bedelt om wat geld. We vullen het flesje van Joep met water (zie opdrachten). In Moynak stoppen 2 Militsia-agenten ons. De zijdeur moet open, ze stappen in en gaan zitten. 'Naar onze post'. We gehoorzamen maar en leveren hen bij hun kantoortje af. Verder door op de weg terug worden we weer aangehouden bij de Militsia-roadblock, waar we op de heenweg ook moesten stoppen. Nu moeten we wel registreren. Blablabla, jajaja, pff. 'Maybe small souvenir?', vraagt een agent. We geven de baas een Hollands-kitsh-Delluf-blauw-dingetje en de man weet niet waar het voor is. Dat mag je zelf verzinnen, daag!

In Nukus bezoeken we nog het Savitsky Museum van directrice Marinika Bobonazarova. Het museum is bekend vanwege de 'Entartete Kunst' uit de Stalin-tijd. Kunst die niet voldeed aan de eisen van het Socialistisch Realisme vond in deze uithoek van de SU nog een onderkomen. Met de verbannen schilders liep het soms slechter af. Sommige mensen reizen ver om deze collectie te zien. Er loopt constant iemand achter ons aan als we door de zalen dwalen.

Het is tijd om verder te gaan. We nemen afscheid van Ludmila. Het is een schat van een mens, die het grauwe Nukus warmte geeft. Het persoonlijke, dat we vinden in het contact met haar, is iets wat ons erg aanspreekt.