Daboek 29: Mary & Merv, Turkmenistan

Nukus, Uzbekistan, 17 maart 2006


De grens
We staan stil op de brug tussen Iran en Turkmenistan. De truck voor ons is gecontroleerd en nu zijn wij aan de beurt. Drie soldaten kijken nieuwsgierig onze richting uit. Ze dragen uniformen die uit de 2e wereldoorlog lijken te komen; een lange, bruine wollen overjas met een leren riem en daaraan een aluminium veldfles in een verweerde groene hoes. Daaronder laarzen en op hun hoofd een grijze bontmuts. Als we dichterbij komen zijn het kids van een jaar of 18. Twee jongens hebben getinte gezichten en een beetje spleetogen. De derde is groter, blank, heeft een spitse neus en blauwe ogen. Hij lijkt Russisch en kijkt feller. Maar de sfeer is niet vijandig. We moeten naar een klein hokje waarin de baas zit (grote platte pet). Hij zegt iets en wij begrijpen het niet. De paspoorten zijn niet genoeg. Tsja, we hadden gehoopt opgevangen te worden door onze gids. Een kopie van de uitnodiging van de Turkmeense reisorganisatie biedt uitkomst. Het wordt duidelijk waar het om draait. De pet in het hokje moet iets invullen en blijkbaar staat het hierop. In een groot schrift wordt van alles opgeschreven terwijl de soldaten nieuwsgierig de blusbus bestuderen. Na een tijdje mogen we door en we belanden bij een bak. Er komt een man uit een hokje die een plantengifspuit begint op te pompen. Dit zal wel de desinfectie zijn die we ook in Oost-Europa gezien hebben. We moeten door de bak rijden en de bus verdwijnt bijna onder water door de gaten in het beton. Dan komen we bij de echte grenspost. Nu gaat het pas echt beginnen...

Vrouw en een paar jochies op een marktje in Mary


De precieze gang van zaken weten we niet meer. Al met al duurt het 4 uur(!) voor we weg mogen. In die tijd moeten we bij de dokter in witte jas komen (type veearts) in een hok waar het ruikt naar desinfectie en waar de spuiten al klaar liggen; moet de bus op een put om van onderen geïnspecteerd te worden; zijn we bij de bank geweest om alle belastingen te betalen; hebben drie mensen 20 minuten gediscussieerd over hoeveel kilometers we nu eigenlijk in Turkmenistan rijden; is onze kooktas en nog meer zooi door een vooroorlogs röntgenapparaat gehaald; hebben we drie tassen moeten leeggooien; is de bus overhoop gehaald; zijn er 4 declaratieformulieren (hierop moet je vreemde valuta en waardevolle spullen aangeven) ingevuld, een WA-verzekering afgesloten; een entry- en exitpas gemaakt en een soort routedocument met autogegevens en landkaart van Turkmenistan (met grote precisie) ingetekend. Wat kost dit: migratiegeld 10 US Dollar p/p, entry en transitpassage 25 USD, compensatie brandstofkosten 55 USD, verzekering 60 USD en dan nog 5 USD 'for processing of documents' en nog 3 dollar bankkosten. In de tussentijd komen we onze gids tegen, die in eerste instantie niet doorgelaten werd tot de grenspost. Hij is redelijk jong en lijkt ok. Als alles rond lijkt te zijn, rijden we weg en 50 meter later staan we weer stil voor een slagboom. Weer soldaten met bontmutsen, weer een grote pet in een klein hokje. Alle onze paspoortgegevens moeten geregistreerd worden. De man in het hokje heeft gouden tanden en een groot schrift waarin hij met een liniaaltje lijntjes begint te trekken. Ondertussen komt een van de douaneofficieren nog naar ons toe. Er is nog iets niet geregeld, we moeten terug. Het gaat om een documentje (A5, grijs papier, met de hand ingevuld) voor de auto. Wat het is, weet ik nog steeds niet maar het blijkt maar voor 8 dagen afgegeven te kunnen worden. Er is dus een datum ingevuld van 13 maart. Maar wij blijven 9 dagen, dat is al heel lang bekend. Alles is al geregeld, ligt van dag tot dag helemaal vast, we moesten nota bene verzekering betalen voor maar liefst 15 dagen (enige mogelijkheid is 5 of 15) en nu alles al rond was mag de auto maar 8 dagen in Turkmenistan zijn? Dit is de druppel. Ik heb heel veel geduld en kan ook nog erg veel begrip opbrengen voor alle documenten maar dit slaat nergens op. Musa, onze gids probeert het duidelijk te maken. Er volgt weer discussie. Wat te doen? Tsja, het zijn de regels maar ze begrijpen ook wel dat het niet helemaal klopt. Musa probeert van alles en vraagt dan of ze niet gewoon 14 maart kunnen invullen. Een paar officieren twijfelen, maar de hoge streng kijkende baas wil er niet aan en wordt pissig. We lopen weer naar buiten. Uiteindelijk vraagt de aardige officier of ik blij ben als er 14 maart op staat. Ja, natuurlijk! Hij vult een nieuw formulier in en na nog 3 hokjes en stempels is het klaar…. 'Mr. Pieter, you make big problems', zegt hij. 'Not me, Turkmenistan' zeg ik en de man lacht. Een uur later mogen we alsnog door de slagboom. Pfff, mijn god zeg, wat een gedoe.

Merv: Saxaul-bomen met wenslintjes erin, Kyz Kala fort en kamelen op pad


Er is 1 ding wat alles een beetje goed maakt: Turkmenen hebben gevoel voor humor (de meesten dan) en zijn geen onmensen. Ondanks alle gedoe wordt er ook gelachen. Anders dus dan zoals met dit soort beambten in Rusland. Officieren gaan makkelijk met de soldaten om en de sfeer is niet gespannen. Een man in camouflagepak legt ons in bescheiden Engels uit wat de bedoeling is. Een vriendelijke officier helpt ons met het invullen van het declaratieformulier in het Turkmeens. Overal staat 'yok' (nee). Wat betekent dat, gebaren we. De douaneman doet een geweer na en kijkt ons aan? Hebben jullie toch niet? Dan alsof hij spuit in zijn onderarm. Ook niet toch? Daarna zit ik met hem in de bus om de bagage te checken. Bak moet open. Medicijnen? Hij kijkt me aan, hij wijst, en draait met een gelukzalige lach zijn ogen weg. Dan kijkt hij me vragend aan. Nee, geen verdovende middelen. Dan kijkt hij me weer aan maar nu met een ander lachje. Hij haalt even snel zijn wenkbrauwen op en maakt even vuisten van zijn handen. No, no I am strong man gebaar ik, we lachen en het is goed. De rest van de zooi gelooft hij wel. Het lijkt alsof het voor hem ook allemaal niet hoeft maar ja… de regels. Die hebben een hoog absurditeitgehalte. Als ik iets wil terugleggen in de bus mag dat niet. De bus staat namelijk voor het hok, ik ben er inmiddels achter. Voor het hok is een groot plein. Maar daar mag je niet overheen. Je moet door het hok want dat is de douane. Hoeveel tassen hebben we, wordt er op een gegeven ogenblik gevraagd. Nou, veel. Alle bagage moet door de röntgenscanner en dus uit de bus. Dat is geen doen, dan staan we morgenvroeg nog hier. 'Tell them that we are tourists, not criminals', zeggen we tegen Musa. 'Pak wat je dragen kunt', zegt hij 'en breng dat naar hier'. We pakken 3 onschuldige tassen en die worden vervolgens uitgebreid gecheckt. Een jonge politieman wroet in de onderbroeken van Ilona waardoor Ilona link wordt. Blijkbaar zijn er ook vrouwelijke controleurs die uiteindelijk de persoonlijke spullen van Ilona doorzoeken. Het lijkt daarmee goed, er is grondig geïnspecteerd. Welk eten hebben we bij ons? We leren snel: wat blikjes. Dat is het goede antwoord. Ok, geen probleem. Niemand vraagt verder of gaat dit controleren. Achteraf lijkt het een spel. Er zijn strenge regels die, soms voor het oog, met grote zorg worden uitgevoerd. Tegelijkertijd is het zo lek als een mandje en weet men dat ook.

Maar goed, we zijn in Turkmenistan! Het land is vlak, woestijnachtig maar met een groene schijn. De wegen zijn slecht en er staan elektriciteitspalen. Het lijkt nog het meest op Roemenië. We zien Lada's en heel veel Toyotabusjes, die geïmporteerd zijn uit de Emiraten.

Gids Musa geeft uitlegMausoleum van sultan Sanjar


Mary en Merv

Van de grens bij Saragh moeten we nog naar Mary, een stad in het zuiden. Het is nog een rit van meer dan 200 km en het is al laat. Onderweg zijn nog een aantal roadblocks en checkpoints. De soldaten zien er grimmig uit met hun bontmutsen en lange jassen maar het zijn jonge jongens. De meeste zijn nieuwsgierig en lachen verlegen. Musa, onze gids, weet hoe hij met ze om moet gaan en we kunnen vrij snel door. Af en toe moeten we registreren, alle gegevens worden weer opgeschreven (schriftjes vullen), dat duurt langer. We steken het Garagumkanaal over. Dit is het langste kanaal ter wereld en is gegraven om water van de Amu Darya rivier naar de katoenvelden in het westen van Turkmenistan te brengen. De weg is soms gruwelijk slecht, vol gaten en in het donker rijden blijkt niet leuk. Om een uur of zeven komen we in Mary aan. We hebben geen idee waar we zijn, ons guesthouse is een oude boerderij waar het erg rustig is. 2 jongens ontvangen ons, we hebben een hele grote kamer met tapijten en de tv staat aan. Het ziet er verzorgd uit. Dat blijkt ook een dag later aan het ontbijt: verse kaas, eigen gemaakte honing, boter, jam, weer eens vlees en koffie, thee en heerlijk brood.

Vader der Turkmenen en overal aanwezig: TürkmenbashiWoonwijk in Mary


Een half uur rijden of zo van Mary liggen de ruïnes van de verwoeste stad Merv. Voordat we naar Merv gaan, moet Musa ons registreren. We rijden naar het overheidskantoor. Het is licht en we zien nu pas waar we zijn. Het is een totaal andere wereld. Wat een verschil met Iran: we kunnen de letters weer lezen (al weet je vaak niet wat er staat), brede straten met weinig mensen, wat een rust... De mannen dragen een petje of een bontmuts. De mensen hebben knappe gezichten. Heel klein beetje spleetogen, een lichtbruine tint en wat hoge wangen. Vrouwen zien er mooi en elegant uit. Ze dragen lange, vaak wijnrode, fluweelachtige jurken tot op de enkels en een bonte, gekleurde hoofddoek als een knotje achter op het hoofd. Als ze lopen hebben ze een figuur als van een Griekse vaas. Wauw, vrouwen mogen weer gezien worden. En je beseft hoe kunstmatig het Iraanse rollenpatroon en de kledingvoorschriften eigenlijk zijn. Hier zijn de vrouwen zichzelf en geen zwarte schimmen. Wat ook opvalt, is de nog sterke Russische invloed: op een marktje zien we nog steeds onvervalste Russinnen (groot, bleek en geblondeerd). Veel Lada's en sovjet flats. Er wordt ook nog veel Russisch gesproken. Aanwezig is ook de invloed van de dictatuur. Op ieder overheidsgebouw hangt een portret van de president. En overal staat politie. Musa waarschuwt ons voor foto's maken.

Het registreren duurt langer dan verwacht en uiteindelijk rijden we naar Merv. De oude stad Merv is door de Mongolen met de grond gelijk gemaakt en alle bewoners een kopje kleiner. Letterlijk, want de Mongolen waren pissig. Boodschappers van Djengiz Khan, die naar Merv waren gestuurd, werden door de arrogante heersers van Merv gedood. Dat vond Djengiz Khan niet leuk en hij stuurde zijn meest agressieve zoon een paar jaar later naar Merv. Deze bood de stad aan om te capituleren en dan te sparen. De bange Mervenaren accepteerden dit en werden vervolgens tot de laatste bewoner onthoofd. Daar zijn de Mongolen wel even mee bezig geweest, Merv was een grote stad en er wordt geschat dat er misschien wel een miljoen mensen gedood zijn. De stad werd daarna grondig vernield en in brand gestoken. Toen een paar dagen later de weinig overlevenden terugslopen naar de ruines kwamen de soldaten nog een keer terug om het karwei af te maken…

Richting Ashgabat: Köpet Dag gebergte in Iran, spoorlijn en geïrrigeerd land in TurkmenistanMan in Mary


Er staat dan ook niet meer heel veel overeind in Merv. Je hebt een auto nodig om de attracties te bekijken; Merv was groot en de restanten liggen kilometers uit elkaar. Het meest indrukwekkende gebouw is het Mausoleum van sultan Sanjar. Musa geeft uitleg. Hij vertelt niet te veel en het is gelukkig geen opgedreund verhaaltje. De tombe is een van de weinige gebouwen die de Mongolen hebben laten staan. Verder is er de koele, donkere tombe van Mohammed ibn Zeid, een geribbeld fort dat Kyz Kala heet en een hoge heuvel met de oudste resten van Merv. Hier lunchen we. Wat een rust en heerlijk buiten. Er lopen kamelen rond.

We rijden terug naar Mary. Mensen zitten met een stokje waaraan iets bungelt langs de weg. Het blijkt een vis te zijn die als uithangbord dient.
's Middags staat er nog een museumbezoek op het programma. In het museum liggen de artefacten uit Merv. Musa begint met uitleg maar wordt onderbroken door een uitdagende, jonge vrouwelijke gids van het museum. Er blijkt iets aan de hand tussen die twee en we weten niet wat. Bij iedere vitrine staan we stil en ze vertelt datgene wat ook op het bijschrift staat. We hebben al eerdere ervaringen met dit soort museumbezoekjes. Ze duren urenlang op deze manier. Voor de gids lijkt het een verplicht nummer, ze moet alles vertellen, wij knikken beleefd en geïnteresseerd. En eigenlijk hoeft het voor niemand. Er wordt weer wat gesmoezeld en met een diplomatiek 'Maybe it is better you look on your own and if you have any questions..' wordt het bezoek aanzienlijk verkort. Want het is mooi weer, we willen de stad zien en naar het terras. Rond het gouden standbeeld van de president (zittend op een troon) mogen we geen foto's maken. We vinden een café bij een kruispunt en drinken bier in het middagzonnetje. Het is echt anders hier. Als we 's avonds teruggaan naar dezelfde tent zitten mannen aan de wodka, ze sjansen met de Russische serveersters, uit de tv dreunt een beat en we eten shaslik (vleesspies, gegrild op de barbecue) met veel vet. Het oriëntgevoel van Iran is helemaal verdwenen.