Dagboek 18: Richting Iran

Dogubayazit, Turkije, 8 januari 2006


Dogubayazit is het laatste stadje voor de Iraanse grens, 40 km oostelijker. Het ligt aan de doorgaande weg, die loopt van Erzurum (Turkije) naar Tabriz (Iran). Deze weg volgt de oude zijderoute. Ook nu nog is er veel verkeer. Wij komen uit het zuiden, van Van, en moeten over een pas van 2644 m. Onderweg begint de bus te haperen. Omhoog naar de pas gaat het steeds slechter. We krijgen het gevoel dat we kunnen gaan aftellen. We staan zo meteen stil. Shit, wat is dit? Buiten is het koud, mistig en er komen nauwelijks auto's voorbij. We vermoeden brandstofproblemen of verstopping. Met klamme handjes en met een slakken-gang kruipen we omhoog. We kijken gespannen of we het hoogste punt zien. Hoe ver is het nog? We krijgen de zenuwen. De mist is weg en het uitzicht mooi. Eindeloos ver witte bergen. En geen mens te zien. Met pijn en moeite bereiken we het hoogste punt. Pfff, omlaag gaat gelukkig makkelijker. Maar wat is er aan de hand?
Aan de horizon zien we een immens, grote witte berg uitsteken. Dat moet de Ararat (5137 m.) zijn, de hoogste berg van Turkije. De Ararat is een oude vulkaan waar de Ark van Noach gevonden zou zijn. Onder de berg liggen uitgestrekte bruine heuvels en wijdse vlaktes. Schitterend mooi, je kunt kilometers ver kijken en ziet in deze eenzaamheid af en toe een plaatsje liggen. Het uitzicht ademt verlatenheid en je krijgt het gevoel dat je Turkije al een hele tijd achter je hebt gelaten en een soort niemandsland ziet. Het is meteen ook de laatste keer dat we de Ararat zien. Door het slechte weer of wolken blijft de berg de andere dagen verborgen.


Mount Ararat, 5137 m.


Dogubayazit ligt in de brede vallei aan de voet van de Ararat. Het niets gaat langzaam over in de stad. Aan de rand is het stoffig en betonnen hutjes staan ver van elkaar. Plek zat hier. Het stadje zelf is shabby, mensen lijken verveeld en straatjochies zijn vervelend. De stad is Koerdisch en niet rijk. Overal stinkt het naar stookolie. Mensen dragen vuile spijkerbroeken en zien er soms wat verwilderd uit. Het hotel is al net zo. Klein hok, rumoerig en rokerig. We sms-sen Patrick over het probleem met de auto. We slapen slecht door alle herrie.

Een dag later gaan we op zoek naar een garage. Aan de rand van de stad hadden we wat werkplaatsen gezien. Een vriendelijke man helpt ons en de bus komt terecht in een zwart betonnen hok. 'Iran diesel piss!' zegt een jonge monteur met een sigaret in zijn mondhoek. Zijn handen zijn zwart en in de donkere werkplaats kruipt hij, peuk in zijn mond, onder de motorkap. Volgens ons hadden we gewoon Turkse diesel getankt, maar goed. Hij schroeft het brandstoffilter los en zuigt met zijn mond aan de slang uit de tank. Hij spuugt de diesel uit en sluit een handpomp aan op de brandstofleiding. Zijn hulpje, en jochie van een jaar of 9, dat nog zwarter is van de smeer, mag de tank leegpompen. Het is koud en we kruipen in een pikdonker hok bij een brandende kachel. Het ding wordt op een interessante manier gevoed: vanuit een blik druppelt, via een gootje, gestaag vloeistof omlaag. 'Iran diesel good', lacht iemand terwijl hij zijn handen warmt aan het walmende kacheltje.

Veilig gevoel? Uitzicht vanaf de hotelkamer op het politieburo


Boven Dogubayazit ligt het Ishak Pasa Palace. Dit 1000-en-1-nacht optrekje kijkt uit over de vlakte waarin Dogubayazit ligt en heeft een schitterend panorama op de omringende bergen. Maar niet vandaag. We zien het paleis pas als we voor de deur staan. Het is mistig en lijkt te gaan sneeuwen. Gelukkig is het paleis open en komen we niet helemaal voor niets. Het interieur is erg mooi.
Onder het kasteel ligt de Murat camping. We hebben gelezen dat deze camping een begrip is bij Overlanders, mensen die over land richting Azië reizen. Er is nu natuurlijk geen hond maar de eigenaar is er wel. Het is een pezig mannetje in zwart-rode fleece met gebruinde kop. Hij blijkt dan ook berggids op de Ararat te zijn en is zijn Lada Niva aan het uitladen met voorraad. Bij de camping is een restaurant. In de grote lege en vooral koude eetzaal ontmoeten we een man die ons uitnodigt om bij hem te komen zitten. Hij ziet eruit als een moderne zakenman, in pak en de vette BMW voor de deur blijkt van hem te zijn. 'I just arrived from India', zegt hij. We kruipen bij het straalkacheltje. Hij spreekt erg goed Engels en blijkt regelmatig in zijn BMW naar Azië te rijden. 'I like camping', zegt hij en we praten zeker een uur met hem. Hij is zakenman maar reist toch voornamelijk echt voor zijn plezier. Wij willen niet op de camping in de sneeuw blijven en gaan op zoek naar een nieuw hotel beneden in de stad.
De man krabbelt wat op een visitekaartje en zegt dat we daarmee in hotel Ararat voor 30 Lira (ongeveer 20 euro) een kamer kunnen krijgen ipv. 25 dollar pp.
Bij het hotel komt Memet op ons af, een charmante man die alles regelt voor tour-groups en o.a. ook zaken doet met Djoser en andere Nederlandse reisorganisaties. Hij wil ons graag helpen. Hij belt wat rond en regelt het hotel wat we ook al geregeld hadden.

Luts en André hebben een verrassingsdoos voor ons opgestuurd via Post Restante naar Dogubayazit! Post komt dan aan op het postkantoor en als je daar bent kun je dit ophalen. We verheugen ons op dit kadootje uit Nederland. Helaas, op het postkantoor is geen pakketje uit Holland aangekomen…


Ishak Pasa Palace

Een dag later is er ook geen pakketje maar wel vogelgriep. We zien mannen in witte pakken. In het internetcafe komt een jonge persfotograaf binnen. Hij heeft 2 professionele Canons omhangen en een mondkapje. Ook de tv is in het stadje en de burgemeester roept om door de luidsprekers. Foute boel dus.
De lucht breekt en we vluchten omhoog, nog een keer naar Ishak Pasa Palace. Het uitzicht is super! We hangen er wat rond en bedenken dat we toch weer geluk hebben dat we dit zien. De bus wordt opgeruimd en we maken plannen voor Iran. 's Avonds eten we heerlijk in Öz Urfa Kebab. Het ziet eruit als een kitscherige Zweedse blokhut maar het eten is heerlijk en de Koerdische bediening erg vriendelijk.

De volgende ochtend kijkt het personeel van het hotel met aandacht naar de tv. Kus Gribi (koesjgriebie= vogelgriep) is item nummer 1 van het journaal en Dogubayazit komt uitgebreid aan bod. We begrijpen dat het serieus is. Een berichtje van mijn vader maakt duidelijk dat er 3 doden zijn.

Straatmarkt in Dogubayazit


Er is nog steeds geen pakje. We hebben het idee dat Memet misschien iets voor ons kan betekenen. We vertrouwen hem en wellicht kunnen we regelen dat hij het pakje mag ophalen, zodat hij het kan doorsturen naar Iran. In zijn kantoortje wachten we een hele tijd op hem. Als hij aankomt, blijkt hij dronken en we komen niet veel verder op het postkantoor. Naar Iran doorsturen doen ze in ieder geval niet. We leveren Memet thuis af en bedenken dat de opties beperkt worden. Ons Turks visum loopt op 15 januari af, dus dan moeten we het land uit zijn. En volgende week is Kurban Bayrami, het Islamitische slachtfeest. Het hotel vertelt dat dit feest vanaf dinsdag 10 januari is en dat het postkantoor dan de rest van de week dicht is, t/m maandag. Het is nu vrijdag. Op zaterdag zijn ze wel open maar geen pakketjes, vertelt de man ook nog. We besluiten dan tot en met maandag nog maar af te wachten. Dat is onze laatste kans. Nog 2 dagen extra in Dogubayazit dus. Ilona heeft het gehad na deze rare dag. En buiten is vogelgriep. We sluiten ons op in het hotel en met wat geklooi aan de coax-kabel hebben we één tv-zender.

Dogubayazit blijkt iets te hebben wat India ook heeft. Het is een hectisch stadje waar veel gebeurd op straat. En een zootje. Maar wel leuk. Weer wat meer op reis dan vakantie. We zien schapenkoppen op straat en andere schaapjes die hetzelfde lot tegemoet gaan. Door de smeltende sneeuw is het een modderpoel waar iedereen doorheen loopt met zijn handen in de zakken. De mensen kijken scherp uit hun ogen en kids roepen regelmatig naar ons. Het lijkt alsof Turkije deze uithoek vergeten is. Behalve militair, het stikt er van de soldaten. Op een grote kazerne langs de weg naar het Ishak Pasa paleis staan onder afdakjes rijen tanks. De bevolking is Koerdisch en mag het zelf zien te redden. Sommige kinderen gaan naar school maar anderen lopen rond op straat met 10 pakjes sigaretten of 3 pakjes tissues om te verkopen. Er kan wat meer dan in andere Turkse plaatsen en mensen maken daar gebruik van. Schijnbaar wordt er veel gesmokkeld door de bergen. Whiskey naar Iran en goedkope benzine naar Turkije. We merken dat in Dogubayazit een beetje dezelfde sfeer hangt als in Sanliurfa en andere plekken waar je wat meer spanning voelt. Blijkbaar heeft het toch met Koerdische identiteit te maken. We zijn er nu wat langer en wat meer gewend. Wat eerst afstoot, krijgt z'n charme. Bij persoonlijk contact zijn de Koerden vriendelijk en eerder nieuwsgierig dan vervelend. Wat interesse en een Koerdisch dank-je-wel (spastikum ipv. het Turkse tesekkür ederim) worden erg gewaardeerd.

Morgen nog 1x naar het postkantoor. Dan naar Iran.